Nu blijkt ineens: taalles voor jonge kinderen werkt dus wél

Interview Paul Leseman, hoogleraar orthopedagogiek Utrecht. Lang werd gedacht dat taalles op peuterzalen amper zin had. Nu blijkt uit nieuw onderzoek dat een kind in vier jaar een achterstand tot de helft inloopt.

Op een speelzaal leren peuters spelenderwijs Nederlands spreken en begrijpen. Foto Patrick Post

Eindelijk is er duidelijkheid: voor- en vroegschoolse educatie (VVE) heeft zin. Jarenlang was er veel pessimisme; kinderen met een taalachterstand zouden weinig hebben aan de educatieve programma’s op kinderdagverblijven en peuterspeelzalen. Maar het tegendeel blijkt nu waar.

Staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs, VVD) liet drie onderzoeken uitvoeren naar de effectiviteit van VVE in Nederland. De studies werden gedaan door het CPB, de Universiteit Twente, en de Universiteit Utrecht in samenwerking met het Kohnstamm Instituut. Die laatste twee voeren een zogenoemd cohortonderzoek uit waarbij zij verschillende groepen kinderen over een langere periode (van 2 tot 12 jaar oud, de kinderen zijn inmiddels 6) volgen. De uitkomsten zijn positief, vertelt Paul Leseman, een van de hoofdonderzoekers en hoogleraar orthopedagogiek aan de Universiteit Utrecht. „Kinderen lopen in vier jaar een achterstand tot de helft in.”

Er zijn eerder wetenschappelijke onderzoeken gedaan naar de effectiviteit van VVE, daar kwamen geen positieve resultaten uit. Nu wel, hoe kan dat?

„Voorheen keken onderzoekers naar het niveau van kinderen uit groep twee of drie van de kleuter- of basisschool, die een VVE-programma hadden gevolgd. Maar de onderzoekers stelden nooit een beginniveau vast. Zodoende werden kinderen met verschillende taalachterstanden met elkaar vergeleken. Dat leverde geen goede inzichten op. En de conclusie was steevast dat de kinderen met VVE het niet beter deden dan kinderen zonder VVE.

Wij hebben het nu anders aangepakt, en we volgen kinderen vanaf hun tweede levensjaar, ze zijn nu 6. En dan zien we dat ze op, zeg maar -10 beginnen en na vier jaar op -5 zitten. Dat is nog steeds een achterstand, maar wel een minder grote achterstand. En daarom kun je zeggen dat de programma’s wél zin hebben.”

Het is dus effectief, maar nog niet op het hoogst haalbare niveau?

„Dat klopt. Maar laat ik eerst zeggen dat de kinderen die VVE nodig hebben, het ook écht krijgen. En dat de programma’s inhoudelijk ook erg goed zijn. Maar er valt op een aantal fronten nog wel wat te halen. Zo zou de leeftijd waarop de kinderen met een achterstand naar de opvang of de peuterspeelzaal komen, vervroegd kunnen worden. Naar bijvoorbeeld 1,5 of 2 jaar in plaats van 2,5. Bovendien zou het aanbod van de educatieve programma’s veel intensiever kunnen. Nu besteden leidsters [het zijn vooral vrouwen] er 10 uur per week aan, dat is niet heel veel. En alles valt of staat bij de professionaliteit van de leidsters.”

De kritiek was vaak dat groepsleiders niet altijd voldoende zijn opgeleid.

„De professionaliteit van de leidster is doorslaggevend. En daar kan nog veel beter op ingezet worden. Wat erg belangrijk is, is dat medewerkers zich een VVE-programma echt eigen maken. Dat ze niet een methode mechanisch uitvoeren, een kwartiertje per dag. Maar dat ze het overdragen van de taal tot in hun vezels voelen. Dat ze bijvoorbeeld tijdens etenstijd niet opeens het programma uit hun handen laten vallen. Maar dat ze een gesprek blijven voeren met de kinderen. Dus als er druiven op het menu staan, kan de leidster vertellen welke kleur het fruit heeft en waar de druiven groeien.”

Uit jullie onderzoek blijkt dat hoe meer achterstandskinderen er in een groep zitten, hoe meer ze leren. Hoe kan dat?

„Waarschijnlijk heeft dat ermee te maken dat leidsters er meer werk van maken als meer kinderen een taalprobleem hebben. En dat brengt ons tot een dilemma; vaak werd er gezegd dat mengen juist goed is; kinderen met en zonder achterstand bij elkaar. Dat optrek-effect is er, maar minder groot dan gedacht.”

Juliette Vasterman
Bron